MARIANNE VAN DER HEIJDEN 

(Kerkrade 1922 – Maastricht 1998)

Marianne van der Heijden studeerde tussen 1945-1950 monumentale vormgeving aan de Rijksacademie Amsterdam o.l.v. professor Heinrich Campendonk, in zijn jongere jaren lid van de befaamde schildersgroep Der Blaue Reiter, waarvan ook Wassily Kandinsky deel uitmaakte. Hij bleek een mild mens, maar als monumentaal vormgever een strenge leermeester: “Op de muur wordt niet gelachen en niet gehuild.”

Na haar studie keert ze terug naar haar geboortestreek, waar ze al gauw naam maakt.
Een studiereis (Prix de Rome 1951) versterkt haar liefde voor het mozaïek. Ruim twintig jaar voert ze op diverse plaatsen in het land haar ontwerpen in steen en als glas-in-lood uit, veelal voor de overheid en kerkelijke opdrachtgevers. Het ‘vrije werken’ bewaart ze voor de tijd tussen de opdrachten in, zoals ze dat al op de academie deed.

In 1970 stopt ze daar radicaal mee; het christelijke geloof en werken volgens voorschriften spreekt haar niet langer aan.
Uiteindelijk blijkt niet Campendonks, maar Kandinsky’s credo het hare:’De kunstenaar moet iets te vertellen hebben , want zijn opgave is niet de beheersing van de vorm, maar het aanpassen van de vorm aan de inhoud.’Haar eigen emoties, belevingen, fantasieën en angsten worden onderwerp van haar werk, waaraan ze met grote gedrevenheid werkt.

Tot 1992 exposeert ze jaarlijks, vaak meer dan eens. De gelukservaring om als kunstenares eindelijk vrij te zijn wordt echter regelmatig afgewisseld met ervaringen van diepe verlatenheid, verlangen naar bevrijding van alles wat een mens aan aarde kluistert.
”Marianne van der Heijden heeft in die ontwikkeling naar een vrije beeldtaal, bedoeld om het onzichtbare en onzegbare uit te drukken, altijd een stille rol gespeeld” schreef kunstcriticus Willem K Coumans in zijn boek ‘Marianne van der Heijden, van iconografische zekerheid naar innerlijk spreken’.
“’Visueel lawaai’ is haar vreemd. Toch kan het er in haar binnenwereld onstuimig en zelfs adembenemend toegaan.”

Haar laatste werk, pastels en beelddagboeken, ontstaan na het overlijden van haar partner in 1994, laat dat op indrukwekkende wijze zien. Vrij van iedere conventie, op een volstrekt persoonlijke manier en met een vakmanschap dat alleen wordt bereikt door een leven lang woekeren met een gegeven talent, spreekt ze met een kracht die ieder woord te boven gaat.

Werken van haar zijn opgenomen in diverse musea en collecties, waaronder Museum Schloss Moyland (Bedburg-Hau, Duitsland), Bonnefantenmuseum (Maastricht), Museum Van Bommel Van Dam (Venlo), Catharijne Convent (Utrecht), Océ van der Grinten (Venlo), DSM kunstcollectie (Heerlen), Provinciale Staten van Limburg, Gemeente Maastricht.